Tel: 051/50 10 21

Nieuwsbrief



Email field is empty Je hebt een foutief email adres ingediend Je bent nu ingeschreven op onze Nieuwsbrief Je bent nu uitgeschreven

De tweede pensioenpijler is een must voor iedereen

Di Rupo

De budgettaire toestand van de overheid laat het niet toe dat het wettelijk pensioen wordt opgetrokken. Daarom is de veralgemening van het aanvullend pensioen van de tweede pijler meer dan ooit een noodzaak.

Maar er is werk aan de winkel. Zo zijn de minimale rendementen die wettelijk worden gewaarborgd. op termijn niet meer houdbaar.

De veralgemening van de tweede pensioenpijler - het aanvullende pensioen voor werknemers dat wordt meegefinancierd door de werkgever - staat al sinds 1999 in de Belgische regeringsverklaringen. Door toedoen van de wet op het aanvullend pensioen (WAF), die werd aangenomen in 2003. heeft meer dan 70% van de werknemers zich vandaag aangesloten bij een groepsverzekering of een pensioenfonds. De hervorming van het pensioenstelsel kwam ook aan bod in de basisnota van formateur Elio Di Rupo: "In het raam van het interprofessioneel overleg zullen de sociale partners worden verzocht om de eerste pensioenpijler (het wettelijk pensioen) te consolideren en een veralgemening van de tweede pijler (beroepsmatig opgebouwd aanvullend pensioen) te overwegen."

Door bij te dragen aan de tweede en de derde pensioenpijler - het persoonlijk pensioensparen - wil de overheid het wettelijke pensioen voldoende aanvullen, zodat de burgers comfortabel kunnen leven na hun beroepsloopbaan. Maar het is niet de bedoeling om het vergaren van een vermogen te subsidiëren. De stortingen voor de tweede pijler worden momenteel beperkt: het wettelijke en het aanvullende pensioen samen mogen niet meer dan 80% van het bruto-inkomen van het laatste loopbaanjaar overschrijden. Het inkomensplafond van dat fiscale voordeel bedraagt 82.500 euro.

Databank Aanvullende Pensioenen

"We staan nog ver van de veralgemening van de tweede pijler", zegt Yves Stevens, hoogleraar pensioenrecht aan de KU Leuven en voorzitter van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) , de voormalige bankencommissie.

"De uitwerking van de geplande hervorming zal nog veel tijd vergen." Iedereen praat over de betaalbaarheid van het wettelijke stelsel, maar er is nog nooit zo veel geld naar de pensioenpijlers gevloeid als vandaag. Daarom breekt professor Stevens een lans voor een analyse van de tweede pijler: "Momenteel weet niemand hoeveel het aanvullende pensioen de overheid precies kost of oplevert. De pas opgerichte Databank Aanvullende Pensioenen zal op dat gebied soelaas moeten brengen. We moeten wel beseffen dat het aanvullende pensioen het wettelijk pensioen niet kan redden als de toegevoegde economische waarde van de personen die de bijdragen leveren, crasht."

Zwarte zwaan

Goede statistieken zijn nodig, anders blijven allerlei vooroordelen woekeren. Zo blijkt uit het jongste rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing van juni 2011 dat de beroepsbevolking de komende decennia zal toenemen: van 5,2 miljoen in 2010 naar 5,4 miljoen in 2016 tot 5,8 miljoen in 2060. De gemiddelde leeftijd van de potentieel actieve bevolking stijgt wel, maar met de jaren neemt die veroudering af. Dat komt doordat er sinds 2006 meer geboorten zijn en er meer 15- tot 34-jarigen immigreren.

"De pensioenen en de ziekteverzekering blijven ook in de toekomst betaalbaar", stelt Gilbert De Swert, voormalig hoofd van de ACV-studiedienst en de auteur van het boek Het pensioenspook. "Het aandeel van de sociale zekerheid in het bruto binnenlands product (bbp) zal tegen 2030 toenemen met 3,8 procentpunt. Het gaat om een zekere, maar langzame stijging over twintig jaar. De vergrijzing is geen zwarte zwaan. De weerslag van die evolutie is perfect voorspelbaar." Dat daarover weleens anders wordt gedacht, wijdt De Swert aan de financiële instellingen en de werkgevers, die pensioenspaarproducten willen verkopen of over een ruime arbeidsreserve willen beschikken.

Vroeg met pensioen, meer betalen

Het staat in de sterren geschreven dat de belasting op de aanvullende pensioenen zal worden aangepast, om mensen aan te moedigen om langer te werken. Zo voorziet de basisnota van Elio Di Rupo in een tariefverhoging voor wie vroeger met pensioen gaat: "De regering zal er zich van verzekeren dat de fiscale behandeling van de tweede pijler niet aanzet tot een vervroegde pensionering. De belastingvoeten van de tweede pijler, opgebouwd op basis van de werkgeversbijdragen, zullen op die manier worden herzien: 20% op 60 jaar, 18% op 61 jaar, 16,5% op 62 tot 64 jaar en 10% op 65 jaar. Bovendien zullen de belastingverminderingen op de tweede en de derde pijler, die momenteel worden berekend op basis van een bijzondere gemiddelde aanslagvoet, voortaan worden berekend op basis van een percentage van 30% voor alle belastingplichtigen, ongeacht hun inkomen."

Toch vraagt Yves Stevens zich af of die maatregel er echt voor zal zorgen dat mensen langer aan de slag blijven. "Ik denk dat mensen die niet meer willen werken, ook echt stoppen", zegt Stevens. "Het financiële aspect speelt bij die afweging vaak een ondergeschikte rol. Volgens een studie van professor Luc SeIs, hoogleraar humanresourcesmanagement aan de KU Leuven, is de leeftijd waarop mensen kinderen krijgen, de belangrijkste parameter om langer te blijven werken. De studiekosten voor hun kinderen verhinderen hen om vervroegd met pensioen te gaan. Bovendien zijn ze zelf vaak later beginnen te werken, waardoor ze minder snel uitgeblust zijn."

Remedie tegen demografische knik

Volgens de onafhankelijke denktank Itinera is de veralgemening van de tweede pensioenpijler een onvermijdelijke maatregel om de demografische knik, die wordt veroorzaakt door de babyboom, te ondervangen. In de komende decennia zal een steeds kleiner wordende actieve bevolking een steeds grotere niet-werkende groep moeten onderhouden.

Hoofdeconoom Ivan Vande Cloot wil het aandeel van de tweede pijler in het pensioen optrekken van 10 naar 25%. "Maar als de aanvullende pijler een grotere rol krijgt, wil dat zeggen dat we een manier moeten vinden om meer middelen naar het systeem te kanaliseren. Niet iedereen hoeft een even grote spaarinspanning doen, aangezien het er vooral om gaat niet te veel koopkracht te verliezen na de pensionering. Dat is vooral een uitdaging voor inkomens die boven het gemiddelde liggen. Toch lijkt het raadzaam om een eerste schijf van de tweede pijler voor iedereen verplicht te maken. Die maatregel kan worden gefinancierd door eventuele loonstijgingen in te ruilen voor een aanvullend pensioen. Bij de uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor 2009·2010 lijkt dat in enkele sectoren alvast te lukken."

"De inzet moet nu zijn om dat systematisch te doen voor iedereen, en bovendien met veel hogere bedragen", vindt Vande Cloot. "Daarbij is het belangrijk dat iedereen het belang van een uitgesteld loon onderkent. Hoewel mensen vaak onvoldoende de waarde van zulke voordelen beseffen, moet het via het sociale overleg mogelijk zijn om dat in ons land te realiseren."

Het aanvullende pensioen zet mensen er ook toe aan om langer te werken, aldus Itinera. Vande Cloot: "Bij een vervroegd pensioen op 60 jaar wordt het wettelijk rustpensioen met ongeveer 10% van zijn waarde verminderd, wat overeenkomt met een verlies van vijf van de 45 dienstjaren in de pensioenformule. De impact is dus gering. De vermindering houdt geen rekening met het feit dat het pensioen vijf jaar vroeger en vijf jaar langer wordt uitbetaald. Het wettelijke pensioenstelsel stimuleert werknemers dus niet om langer te blijven werken."

"De impact van een vervroegde pensionering op het aanvullend pensioen is echter veel groter", aldus Vande Cloot. ,,Aon Hewitt heeft vastgesteld dat het aanvullende pensioen bij een vervroegde pensionering op 60 jaar gemiddeld met een derde daalt. Het aanvullende pensioen van wie met 60 jaar met pensioen gaat, bedraagt slechts 15 % van zijn laatste loon, tegenover 24 % bij de pensionering op 65. De vervroegde pensionering op 60 jaar doet het inkomen dus dalen met gemiddeld 30%."

Vast rendement onder vuur

Hoewel het echte rendement van groepsverzekeringen en pensioenfondsen over twee decennia min of meer gelijk blijft - gemiddeld 5,7% op jaarbasis - is de laatste formule goed voor slechts 22% van de totale reserves (57 miljard euro in 2009), omdat het product zo beursgevoelig is. Daarom geeft de ruime meerderheid (78%) van de bedrijven en de overheden de voorkeur aan groepsverzekeringen. 95% van die groep opteert voor een formule met een vast rendement (Tak 21). Wettelijk gezien, moeten de werkgevers immers een minimaal rendement van 3,75% voor personeelsbijdragen en 3,25% voor hun eigen stortingen waarborgen, al dan niet aangevuld met een winstdeelname.

Met 1,3 miljard euro aan jaarlijkse premies en 14,8 miljard euro aan reserves is AG Employee Benefits, een onderdeel van AG Insurance, de marktleider in het domein van de groepsverzekeringen in ons land. Gedelegeerd bestuurder Jean-Michel Kupper: "Gemiddeld liggen de wettelijke pensioenen in ons land zeer laag, namelijk 906 euro per maand voor een werknemer en 744 euro voor een zelfstandige. De regering moet die minima blijven garanderen, en ze liefst zelfs optrekken om de levensstandaard van de burgers boven 65 jaar te beschermen." "Nu bedraagt de vervangingsratio - de verhouding tussen het laatste nettoloon en de eigenlijke pensioenuitkering - nog geen 50%", aldus Kupper. "Dat verschil moet worden opgetrokken tot 70 à 75%. Maar door haar huidige schuldgraad en de toenemende uitgaven voor de vergrijzing beschikt de overheid niet over de budgettaire middelen om dat te kunnen doen. Met de WAP werd het kader gecreëerd om te voorzien in de noodzakelijke aanvullingen op het wettelijk pensioen. De uitdaging is om die tweede pijler verder te veralgemenen, zodat iedereen eraan kan deelnemen. De bijdragen moeten worden verhoogd om de vervangingsratio van 70 à 75% te halen. Daar winnen alle partijen bij: de overheid, het bedrijf en het individu."

Stabiel kader

Momenteel bedraagt de gemiddelde bijdrage aan het aanvullend pensioen ongeveer 5 % van het brutoloon voor bedienden en 1,5 % voor arbeiders. Die percentages moeten dringend worden opgetrokken naar 6 à 7%, vindt Kupper: "Dat is een belangrijke uitdaging voor de toekomst. Als mogelijk alternatief verwijs ik naar de collectieve arbeidsovereenkomst die in de bouwsector werd afgesloten, om de aanmoedigingspremie om langer te werken na 58 jaar te integreren in de tweede pensioenpijler. Zo worden werknemers gestimuleerd om tot hun 65 jaar in dienst te blijven, zonder dat hun recht op brugpensioen vervalt. Dat is zowel in het voordeel van de werkgevers als van de werknemers."

AG Employee Benefits steunt ook het voorstel van Open VLD om alle werknemers de kans te geven bijkomende persoonlijke bijdragen te storten in een groepsverzekering of een pensioenfonds, zoals zelfstandigen dat nu al kunnen. Hetzelfde geldt voor individuele bedrijven die meer willen doen dan in hun sectorovereenkomst is vastgelegd.

Zo juicht Kupper het voornemen van formateur Elio Di Rupo toe om het aanvullende pensioen verder te veralgemenen. Maar hij pleit er wel voor om de langetermijndoelstellingen voor de pensioenen niet in het gedrang te brengen met fiscale lastenverhogingen in de tweede pijler. "De verzekeringssector, de bedrijven en de werknemers hebben behoefte aan een stabiel kader, ook op fiscaal gebied, om het vertrouwen in het systeem te bewaren."

Jaarlijks stijgt het aantal deelnemers aan de tweede pensioenpijler. Maar door de aanhoudende financiële en economische crisis staan de gewaarborgde rendementen steeds meer onder druk. Kupper: "Ik vind het een probleem dat de gegarandeerde rentevoeten vastliggen en niet gekoppeld zijn aan de marktevolutie. Als je het huidige rendement van overheidsobligaties bekijkt, zijn de minimaal gewaarborgde rendementen van 3,75 en 3,25% in de wet op termijn niet meer houdbaar. De werkgevers moeten die garantie kunnen waarmaken. Als de economische situatie niet snel verbetert, vrees ik dat verzekeraars genoodzaakt zullen zijn om hun gewaarborgde interestvoeten voor nieuwe premies terug te schroeven."

Optrekken van pensioenleeftijd

Francis Colaris, lid van het directiecomité van P&V Groep (P&V, Vivium en Actel) , stelt voor om loonsverhogingen geheel of gedeeltelijk te gebruiken om de tweede pensioenpijler te spijzen, om de deelname aan de groepsverzekeringen of de pensioenfondsen te versterken. Colaris: "Dat heeft drie voordelen. Het kost minder geld aan de werkgever, het levert aan de werknemer een interessant- weliswaar uitgesteld - nettoloon op en het draagt bij tot de oplossing van de pensioenproblemen. De invoering van vrije stortingen in de tweede pensioenpijler kan ook helpen."

Als het overheidsbeleid niet verandert, zouden de kosten van de eerste pensioenpijler volgens het laatste rapport van de vergrijzingscommissie evolueren van 9,7% van het bbp in 2010 naar 13,3% in 2030 en zelf 14,3% in 2050. Colaris: "De vraag is dus niet of de wettelijke pensioenleeftijd moet worden opgetrokken, maar wanneer. Voor de instandhouding van ons socialezekerheidssysteem - en de pensioenen in het bijzonder - wordt een langere loopbaan een must. De verhoging van de pensioenleeftijd geeft een dubbel dividend: ze vermeerdert het aantal personen dat bijdraagt aan het pensioen stelsel en ze vermindert het aantal begunstigden. Twee vliegen in één klap."

"Het is ook noodzakelijk om een vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt moeilijker te maken", vindt Colaris. "Zo moeten de fiscaal aantrekkelijke uitstapmogelijkheden onder de wettelijke pensioenleeftijd worden afgeschaft. Ook de flexibele formule van de tweede pensioenpijler kan werknemers motiveren om langer aan de slag te blijven."

Geen beperking van de aftrek

Een beperking van de aftrek in de tweede en de derde pensioenpijler ziet de verzekeraar niet zitten. Colaris: "Door de plafonnering van de pensioenrechten en de onbeperkte pensioenbijdragen draagt de groep met de hogere lonen al meer dan evenredig bij aan het solidariteitsmechanisme waarop de eerste pijler is gestoeld. Dat verantwoordt dat ze - naast die inspanning in de eerste pijler - een fiscale aanmoediging krijgt om haar levensstandaard te handhaven via de tweede pijler."

"De kosten van de tweede pijler voor de overheid zijn beperkt tot 300 miljoen euro per jaar. De 1,5 miljard euro bruto fiscale kosten - de fiscale aftrek van de premies - wordt gecompenseerd met 1,2 miljard euro door sociale bijdragen en taxatie bij de uittreding. Om een pensioensysteem in stand te houden, lijkt ons dat niet overdreven."

Gewaarborgde rendementen

Voorts vindt P&V Groep de gewaarborgde rendementen van 3,75 en 3,25% geen goed systeem. Colaris: "Belangrijker voor de begunstigde zijn de welvaartsvastheid en de vervangingsratio die hij bereikt op zijn pensioenleeftijd. De 3,75 en 3,25% kunnen veel te laag zijn in tijden van hoge inflatie, en veel te hoog in tijden van lage inflatie. De verzekeraars moeten een rendement garanderen op geld waarover ze nog niet beschikken, namelijk de nog te storten premies. Dat brengt hoge kosten met zich."

,,Aansluitend bij de nieuwe solvabiliteitsnormen (Solvency 2), die in 2013 in voege treden, zull en de verzekeringsmaatschappijen over veel kapitaal moeten beschikken om die garantie te kunnen geven", stelt Colaris. "Dat leidt mogelijk tot een financieel beleid dat onvoldoende rekening houdt met de welvaartsvastheid, wat een negatieve impact zal hebben op het rendement van de activa. Het is niet goed voor de verzekeraar, maar ook niet voor de begunstigde. Daarom pleiten we voor een soepeler garantie, die een goed evenwicht verzekert tussen het rendement voor de werknemer en het risico voor de werkgevers en de verzekeraars."

De verzekeraars zijn hoopvol dat de nieuwe regering het aanvullend pensioen zal uitbreiden en versterken. Colaris: "We rekenen erop dat de overheid verstandig genoeg zal zijn om de noodzaak van een goed ontwikkelde tweede pijler te erkennen. De nieuwe regering zou er niet verstandig aan doen om een hoop kleine ingrepen op elkaar te stapelen, waardoor de uiteindelijke economische balans negatief zou uitvallen, met alle gevolgen van dien."

 

"Kapitalisatie en repartitie vullen elkaar aan"

Het kapitalisatiesysteem van de tweede pensioen pijler vult het repartitiestelsel van het wettelijk pensioen perfect aan. Francis Cola ris, lid van het directiecomité van P&V Groep, somt vier argumenten op:

1.       Een pensioensysteem dat op twee of zelfs drie pijlers steunt, is ideaal om de nadelen van de afzonderlijke pijlers maximaal af te vlakken en te komen tot een pensioenvoorziening met maximale garanties. We weten dat een repartitie gevoelig is voor demografische en economische schokken, maar het stelsel is beter gewapend tegen financiële schokken. Kapitalisatie is gevoeliger voor financiële schokken, maar dat systeem vangt de demografische en economische schokken beter op.

2.       Noch een repartitie- noch een kapitalisatiesysteem geeft een sluitend antwoord op de verhoging van de levensverwachting. Maar een aanvullend pensioen is een ideaal instrument om mensen via een gerichte eindfiscaliteit te stimuleren om langer actief te blijven. De nota-Di Rupo bevatte daarvoor een eerste aanzet.

3. De huidige vervangingsratio van de Belgische pensioenen - de verhouding tussen het bedrag van het wettelijk pensioen en het laatste loon - behoort tot de laagste van Europa. Buiten een noodzakelijke verhoging van de lagere pensioenen valt het te vrezen dat er geen marge is voor een opwaardering van de eerste pensioenpijler.

4. Een aanvullend pensioen met een financiering door kapitalisatie in plaats van repartitie is een middel om de werknemers en zelfstandigen meer vertrouwen te geven in de oplossing van de pensioenproblemen.

Moneytalk.be